Zo’n 350 km bergweg over het karstplateau van Đồng Văn, pal tegen de Chinese grens. Je zit achterop bij een local easy rider, terwijl grijze kalksteenpieken zich langs de weg verdringen, er maïs groeit in kuiltjes aarde tussen de rotsen en H’Mông-kinderen vanuit de deuropening zwaaien. Dan duikt de weg omlaag, de kloof van de Nho Quế in. ’s Avonds eet je in een homestay met je riders en de groep, meestal met een rondje maïswijn erbij.
Je eerste grote uitzicht over het plateau, met beneden in het dal de twee ronde Tweelingbergen.
Een koel, groen stuk dennenbos tussen al die kale rots.
Haarspeldbochten die zigzaggend een berghelling op klimmen. Dé klassieke fotostop.
Het landhuis van steen en hout van de H’Mông-‘koning’, gebouwd begin 20e eeuw.
Een enorme vlag vlak bij het noordelijkste puntje van Vietnam. In okt–nov kleuren de velden eromheen roze van de bloeiende boekweit.
Oude huizen met pannendaken onder de kliffen. Op zondag, marktdag, is het er het drukst en het kleurrijkst.
Een weg uitgehakt in de rotswand, hoog boven een jadegroene rivier. Bij de meeste loops hoort ook een boottocht door de Tu Sản-kloof.
Een rustig dorp in een vallei, met een waterval om op de terugweg in te zwemmen.
De loop kan in 3 dagen, maar de rijdagen worden lang en Du Già valt meestal af. Korter raden we af: dan zit je vooral achterop.
Met vijf dagen worden de ritten korter, pak je een marktdag in Đồng Văn of Mèo Vạc mee en heb je meer tijd in Du Già.