Groen waar Hà Giang grijs is: jadegroene rivieren, glooiende karstheuvels, dorpen van de Tày en Nùng en veel minder toeristen. De ster is Bản Giốc, een waterval die in trappen over de hele breedte van een grensrivier naar beneden komt, met bamboevlotten die je zo dichtbij brengen dat je de nevel voelt. Eromheen: grotten, bergpassen en een berg met een gat er dwars doorheen.
Zo’n 300 m breed, in trappen, op de grensrivier. Met een bamboevlot ga je tot aan de voet van de waterval.
Een grote kalksteengrot vlak bij de waterval, met verlichte looppaden.
Een berg met een enorm natuurlijk gat bijna bovenin, omlijst door rijstvelden.
Haarspeldbochten met uitzicht over de vallei, op weg naar de waterval.
Een Tày-dorp met stenen paalwoningen, zo’n 400 jaar oud.
Een reeks jadegroene bergmeren die onder de grond met elkaar verbonden zijn.
De schuilplaats van Hồ Chí Minh in 1941, aan een beek zo helder dat hij geverfd lijkt.
Twee dagen met de nachtbus heen en terug kan. Je ziet Bản Giốc en de grot, en verder niet veel.
Voeg het Ba Bể-meer toe: een boottocht op het grootste natuurlijke zoetwatermeer van Vietnam, een grot waar je doorheen vaart en een nacht in een paalwoning.