Een bergstadje op zo’n 1.500 m hoogte, hoog boven de Mường Hoa-vallei. Op elke helling liggen rijstterrassen, en de Fansipan, de hoogste top van Indochina, verdwijnt boven je in de wolken. Je komt hier om te lopen: van dorp naar dorp door terrassen en bamboe, langs waterbuffels in de rijstvelden en H’Mông- en Rode Dao-vrouwen in indigo. Het stadje zelf is druk. Waar het om draait, is de vallei eronder.
Dé trekkingvallei, met aan weerszijden van de rivier terrassen tot helemaal beneden.
Hier begint de klassieke trektocht. Een pad over de bergkam, met het mooiste uitzicht op de terrassen van de hele dag.
Eerst een dorp van de Zwarte H’Mông, dan een Giáy-dorp vol homestays. Hier slaap je.
De gebruikelijke wandeling op dag twee, voorbij Tả Van, lekker schaduwrijk en groen.
Een dorp van de Rode Dao, bekend om zijn kruidenbaden. Rustiger dan de hoofdroute.
Met de kabelbaan en dan trappen op naar het dak van Indochina. Op een heldere ochtend zie je het hele gebergte.
Vlak bij het stadje, met een waterval en weefwerk. Makkelijk, en druk.
Met twee dagen en één nacht in een homestay loop je nog steeds de klassieke trektocht. De Fansipan past er dan niet in.
Maak een langere trektocht naar rustigere valleien, of houd een ochtend over voor als de Fansipan in de wolken zit.