Wat er nou eigenlijk te zien is, wanneer je het best kunt gaan en hoeveel dagen je per tocht écht nodig hebt. Datums en prijzen: vraag het ons.
Tik op een getal, dan lichten de tochten op die passen.
Eén dag: Ninh Bình met een roeibootje, of een dag op de Hạ Long-baai. ’s Avonds weer terug in Hà Nội.
Twee dagen: een nacht op een cruiseboot in Hạ Long, een nacht in Tam Cốc, een trektocht in Sa Pa met een overnachting in een homestay, of Bản Giốc met de nachtbus heen en terug.
Drie dagen: Sa Pa zonder haast, Cao Bằng en de Bản Giốc-waterval, of de korte Hà Giang Loop.
Vier dagen of meer: de volledige Hà Giang Loop, de tocht waar gasten jaren later nog over praten. Of Cao Bằng met een nacht aan het Ba Bể-meer.
Zo’n 350 km bergweg over het karstplateau van Đồng Văn, pal tegen de Chinese grens. Je zit achterop bij een local easy rider, terwijl grijze kalksteenpieken zich langs de weg verdringen, er maïs groeit in kuiltjes aarde tussen de rotsen en H’Mông-kinderen vanuit de deuropening zwaaien. Dan duikt de weg omlaag, de kloof van de Nho Quế in. ’s Avonds eet je in een homestay met je riders en de groep, meestal met een rondje maïswijn erbij.
Je eerste grote uitzicht over het plateau, met beneden in het dal de twee ronde Tweelingbergen.
Een koel, groen stuk dennenbos tussen al die kale rots.
Haarspeldbochten die zigzaggend een berghelling op klimmen. Dé klassieke fotostop.
Het landhuis van steen en hout van de H’Mông-‘koning’, gebouwd begin 20e eeuw.
Een enorme vlag vlak bij het noordelijkste puntje van Vietnam. In okt–nov kleuren de velden eromheen roze van de bloeiende boekweit.
Oude huizen met pannendaken onder de kliffen. Op zondag, marktdag, is het er het drukst en het kleurrijkst.
Een weg uitgehakt in de rotswand, hoog boven een jadegroene rivier. Bij de meeste loops hoort ook een boottocht door de Tu Sản-kloof.
Een rustig dorp in een vallei, met een waterval om op de terugweg in te zwemmen.
De loop kan in 3 dagen, maar de rijdagen worden lang en Du Già valt meestal af. Korter raden we af: dan zit je vooral achterop.
Met vijf dagen worden de ritten korter, pak je een marktdag in Đồng Văn of Mèo Vạc mee en heb je meer tijd in Du Già.
Een bergstadje op zo’n 1.500 m hoogte, hoog boven de Mường Hoa-vallei. Op elke helling liggen rijstterrassen, en de Fansipan, de hoogste top van Indochina, verdwijnt boven je in de wolken. Je komt hier om te lopen: van dorp naar dorp door terrassen en bamboe, langs waterbuffels in de rijstvelden en H’Mông- en Rode Dao-vrouwen in indigo. Het stadje zelf is druk. Waar het om draait, is de vallei eronder.
Dé trekkingvallei, met aan weerszijden van de rivier terrassen tot helemaal beneden.
Hier begint de klassieke trektocht. Een pad over de bergkam, met het mooiste uitzicht op de terrassen van de hele dag.
Eerst een dorp van de Zwarte H’Mông, dan een Giáy-dorp vol homestays. Hier slaap je.
De gebruikelijke wandeling op dag twee, voorbij Tả Van, lekker schaduwrijk en groen.
Een dorp van de Rode Dao, bekend om zijn kruidenbaden. Rustiger dan de hoofdroute.
Met de kabelbaan en dan trappen op naar het dak van Indochina. Op een heldere ochtend zie je het hele gebergte.
Vlak bij het stadje, met een waterval en weefwerk. Makkelijk, en druk.
Met twee dagen en één nacht in een homestay loop je nog steeds de klassieke trektocht. De Fansipan past er dan niet in.
Maak een langere trektocht naar rustigere valleien, of houd een ochtend over voor als de Fansipan in de wolken zit.
Bijna tweeduizend kalksteeneilanden die loodrecht uit groen water oprijzen, en de foto’s doen het geen recht. De dagboten varen ’s middags terug naar de haven. Blijf je een nacht op het water, dan krijg je mee wat daarna komt: kajakken tussen de eilanden bij zonsondergang, een stil dek en mist op het water als je wakker wordt. De Lan Hạ-baai ernaast heeft hetzelfde landschap, met minder boten en kleine strandjes.
De grootste grot van de baai, met enorme zalen, op het eiland Bồ Hòn.
Klim de trappen op voor het klassieke panorama en zwem daarna op het strandje beneden.
Met een kajak of bamboebootje door een lage tunnel naar een lagune, rondom ingesloten door rotswanden.
Twee rotsen die tegenover elkaar staan: het bekendste silhouet van de baai.
De dagboten zijn weg en de eilanden worden silhouetten.
Rustiger water naast het eiland Cát Bà. Hier kajak je het mooist.
Met een dagtrip zie je het landschap en ben je dezelfde avond terug. Het is wel een lange dag, en die breng je grotendeels onderweg door, heen en terug.
Met drie dagen kom je verder weg van de andere boten, de Lan Hạ- of Bái Tử Long-baai in, met meer kajakken en een rustiger tempo.
‘De Hạ Long-baai op het land’: kalksteentorens die in rijstvelden staan in plaats van in zee. Roeiers nemen je mee over trage rivieren, onder grotplafonds zo laag dat je moet bukken en langs tempels die je alleen over het water bereikt. Op het land is het vlak en ideaal om te fietsen, langs lotusvijvers en rijstvelden tot aan de voet van Hang Múa met zijn 500 treden.
Zo’n 3 uur met een roeiboot door grotten en langs tempels aan de rivier. UNESCO-werelderfgoed.
Een kortere boottocht door drie grotten, met rijstvelden op beide oevers. Sommige roeiers roeien met hun voeten.
Zo’n 500 stenen treden naar een draak op de top en het uitzicht dat iedereen al online heeft gezien.
Een pagode op drie niveaus, gebouwd in een rotswand, makkelijk te fietsen vanaf Tam Cốc.
Tempels van de koningen uit de 10e eeuw, een korte stop onderweg.
Een enorm tempelcomplex met bronzen boeddha’s en een lange galerij vol beelden.
Rond 17:00 komen duizenden vogels terug om te slapen.
Met één dag doe je een boottocht, Hang Múa en een pagode, en slaap je gewoon in Hà Nội. Past makkelijk ergens in je reis.
Voeg het rustige moerasgebied Vân Long toe, het vogelpark in de schemering en op je gemak fietsen. Dan voelt de trip niet meer als een afvinklijstje.
Groen waar Hà Giang grijs is: jadegroene rivieren, glooiende karstheuvels, dorpen van de Tày en Nùng en veel minder toeristen. De ster is Bản Giốc, een waterval die in trappen over de hele breedte van een grensrivier naar beneden komt, met bamboevlotten die je zo dichtbij brengen dat je de nevel voelt. Eromheen: grotten, bergpassen en een berg met een gat er dwars doorheen.
Zo’n 300 m breed, in trappen, op de grensrivier. Met een bamboevlot ga je tot aan de voet van de waterval.
Een grote kalksteengrot vlak bij de waterval, met verlichte looppaden.
Een berg met een enorm natuurlijk gat bijna bovenin, omlijst door rijstvelden.
Haarspeldbochten met uitzicht over de vallei, op weg naar de waterval.
Een Tày-dorp met stenen paalwoningen, zo’n 400 jaar oud.
Een reeks jadegroene bergmeren die onder de grond met elkaar verbonden zijn.
De schuilplaats van Hồ Chí Minh in 1941, aan een beek zo helder dat hij geverfd lijkt.
Twee dagen met de nachtbus heen en terug kan. Je ziet Bản Giốc en de grot, en verder niet veel.
Voeg het Ba Bể-meer toe: een boottocht op het grootste natuurlijke zoetwatermeer van Vietnam, een grot waar je doorheen vaart en een nacht in een paalwoning.